De Pleagste

Pleagste

Het nieuwe oude huis voelde niet pluis, maar ze wilde zo graag. Hij was slecht in ‘nee’ zeggen en ze was onweerstaanbaar enthousiast, ik hoor het m’n neef nog zo zeggen.

Je hebt plekken waar de lucht zwaar is, plekken waar je de haren overeind gaan staan en waarvan je slechts kunt zeggen dat het niet goed voelt. Gebouwen waar je, zonder dat je weet waarom, haast maakt om weer bij de rest te zijn, als er een rest is. Ik mijd zulke plekken graag en volg m’n intuïtie, hoewel ik weleens tegen het kruis van de Eikelhof heb staan pissen.

Boerderij ‘de Pleagste’ is ook zo’n plek, ik was er vroeger wel eens geweest toen ik wat scharrelde met de dochter van de verse bewoners. Telkens waren er andere lui, dat was al geen best teken. Ergens in de jaren 90 stond ik er eens te pissen tegen een noeste fladderiep. Ik had voor het eerst blonde Maroc gerookt, machtig lekkere hasj, een upper die er bij een opgewekte kinkel in hakte als een komeet. Een upper is in deze contreien ook een beste bult stront, een beer van een keutel en soms een keutel van een beer. Een beste upper. Maar dat bedoel ik niet.

Terwijl ik stond te klateren werd ik licht in mijn kop en zag ik in het maanlicht iets groots op me af komen. Langzaam doemde het op en alles werd erdoor verdrongen. Bevroren en in beslag genomen stond ik er te gapen, genageld in de Sallandse klei. Ik zag steeds beter wat het was, een groot dood paard dat liep op z’n achterpoten met een griezelig glibberig mensenhoofd zonder gezicht. Ja, alleen een klein gaatje die op een gebleekte natte anus leek. Het liep langzaam op me af vanuit het koebosje terwijl ik kouder en kouder werd. Toen hij zich plots als een metershoge wolf op z’n voorpoten liet vallen zag ik dat z’n kruin een groot oog was. Het huilde troebele tranen van bloed en rees kreunend op toen ik vergat dat ik uitgepist was. Een verschijning die ze in griezelfilms nog niet hebben kunnen nabootsen qua afschuw en impact. Lord Voldemort was er een knap ventje bij, dat kan ik je wel vertellen.

Ik heb dat niet tegen m’n scharrel gezegd want ik was nog heel wat van plan. In de gang voelde ik daar ook altijd een aanwezigheid, ik heb geregeld m’n handen niet gewassen of de bril vergeten te checken omdat ik me rap uit de voeten wilde maken, weg van die plee en die ijzige gang. Het voelde alsof er een lijk over je heen zakte, muf en klam. Met een lucht die ergens in de buurt kwam van een massagraf, zo één die ontdekt werd in een warme zomer, een jaar na de kil, onbedekt omdat de hufters te lui waren.

De keren dat ik zogenaamd in de Pleagste sliep en in slaap was gedonderd voelden niet goed. De gedachte om je controle te verliezen door in slaap te mieteren was vermoeiender dan de slaap zelf. Ik werd er een paar keer wakker omdat de lamp plots aan was, wanneer ik dan duf naar de schakelaar greep zag ik dat het touwtje nog wiegde tegen het barokke behang, godver. Ondertussen lag m’n verovering diep en tevreden te slapen als een opgerolde bergmarmot.

Ik was het niet vergeten maar dacht er gelukkig zelden aan, tot m’n neef vertelde dat hij de Pleagste had gekocht. Hij kende de verhalen maar wist ook dat het huis jaren geleden gereinigd was met salie en rituelen, een exorcist uit Dalmsholte had alles van stal gehaald. Toen m’n neef bevestiging zocht bleek de ziener al lang en breed uit de tijd, ze hadden hem nog jaren in Dalmsholte horen kloppen maar dachten dat het een ander was.

De vrouw van mijn neef was een naïeve pinke die slechts lacherig werd wanneer er iets in haar leven gebeurde dat verder ging dan RTL4 of de chit-chat van het schoolplein. Ze verdiende ergens wel een privé klopgeest. Mijn neef was een nuchter kalf en liet zich de kop niet gek maken, een goede eigenschap. Nu had hij ook de bouw en de vernemstigheid om zich dat te kunnen veroorloven.

Gaandeweg begon het gedonder weer op de spooky hoeve, het eerste voorval herhaalde zich keer op keer. Telkens lag er een groene kadaver-kap op hun erf. De ene keer in de tuin, de andere keer bij de oude staldeuren. Eerst lag er nog niks onder en leek het een kwajongensstreek.M’n neef voelde meteen al nattigheid maar wilde het niet weten, de andere voorvallen had hij verzwegen en voor de rust voor zich gehouden.

Bij veel oude boerenerven lagen koebosjes in de nabijheid. Voor de jaren 60 begroeven boeren hun dooie zieke beesten op eigen grond, een halve bunder van de boerderij af, ongebluste kalk er overheen en de kuil weer dicht batsen met zand. Ze waren kapot gegaan aan miltvuur of de veepest, bovenop het beestengraf zetten ze als baken bomen en begroeiing waardoor de miltvuur- of pestbosjes ontstonden, hier noemden we dat koebosjes.

Ik weet niet, het heeft bewust de krant niet gehaald. Ook de overige media werd gemeden omdat m’n neef er niet happig op was en er niet over lulde. Het trauma was ook te heftig. Wat er ooit is gebeurd op dat erf, en waar de energie vandaan kwam om zich zo luguber te manifesteren is tot op de dag van vandaag onopgelost.

Het verse stel had een vurige kinderwens maar het is er nooit van gekomen. Ze durfde na een paar miskramen niet meer te vertellen dat ze zwanger was, telkens ging het akelig mis. Op den duur kon ze ook niet meer slapen, eens vertelde ze dat haar kinderen werden afgepakt terwijl ze nog lang niet klaar waren. Alsof er een gladde koude stofzuigerstang in haar schoof en het jong aborteerde nog voor haar buik bol was. M’n neef liet zich eens ontvallen, toen hij aan het eind van z’n latijn was en knetter dronken, dat hij z’n kroost als kangoeroe-jonkies had gevonden onder de kadaver kappen. De kappen waren van geen boer of buur, hij had er reeds een stuk of 30 opgestapeld achter de oude varkensschuur. Hij had ze eens af willen fikken maar iets hield hem tegen.

Na 10 magere traumatische jaren in stilte en angst geleefd te hebben zijn ze vertrokken naar de nieuwbouw. Met oud en nieuw zijn we in 1999 naar het erf gefietst, zo zat en baldadig als een aap. M’n neef kegelde het ‘te koop’ bord snoeihard door de voorruit en met flessen vol benzine hebben we de keet in de hens gejaagd. Door de ijskoude wind was het een inferno van jewelste, het droge hout krijste van de hitte. Het leek verdomme wel of er een school met kinderen af fikte. Donkere wolken probeerden ons te pakken maar we maakten ons net op tijd uit de hoeven met het demonische gebulder op onze hielen. Machtig fikken deed de hoeve, we waren zo lam en beduusd dat we gebiologeerd op de landweg stonden en de tijd vergaten. Ook griezelig vuur trekt de mens in al z’n poriën.

We zaten nog maar net zwierend op de fiets of de zwaailampen kwamen er van alle kanten aan stormen. Ze waren door de oudejaarsnacht steil te laat, de Pleagste was niet meer te redden.

Afgelopen week fietste ik er weer eens langs, de plek gaf me nog steeds the creeps. Om duistere redenen is er geen nieuwbouw op gekomen en gingen dealtjes steeds mis. Het koebosje was het enige teken van een bewoond verleden, en wat verzakte grond hier en daar. Een paar raven zie ik er weleens rondvliegen, ook kauwen en zwarte kraaien cirkelen vaak over het bosje. Je ziet ze zelden zitten, ook zij voelen de onrust tot diep in hun zwarte veren.
‘De Pleagste is niet meer’, zeggen sommige lui. Ik weet wel beter.

Spread it

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email