De Slenk

img_1132.jpg

Toen de leverpastei op was begon hij aan het papieren bordje. Ik zat aan een picknickbank, zomaar na een optreden bij een wildvreemde familie uit Duitsland. Op zich geen wonder. 

De bandbus stond zwetend tegen een bosje esdoorns in het licht van het tankstation. Poeh, ik was maar even naar buiten gegaan, het werd me iets te benauwd daar in die TL-afknijp shop. Zwiebelig stond ik voor Lee Towers en ik zag stalen dingen tussen z’n tanden. Dat krijg je met die kraanmachinisten, ijzervreters zijn het.

De Slenk is een baken in de nacht, een dringende behoefte. Alle outlaws en ontvallenen van de nine-to-five maatschappij kom je er tegen. Vrachtwagenchauffeurs met mayo aan de bek, trainingspaksjakies, uitgaans-volk nog strak van de pillen. A-artiesten maar nog meer B-artiesten, als letters uit een alfabet met twee letters. Kortstondige BN-ers die in paneltjes zitten van programma’s waar dode frikandellen naar kijken op een bank. Lekkere wijven, lelijke hoeren, rockers, politie, forenzen en snakkers. De nachtbrakers in hun eigen roadmovie.

De moeder van het Duitse gezin zag eruit alsof ze in de oorlog granaten had gevroten, of hoe heten die appels. Voor ons was het laat en voor hen was het vroeg. ‘Sprechen sie Deutsch?’ vroeg de pater familias. ‘Nur wenn ich einen ekelhaften Bastard eines Nazis imitieren will, aber eher nicht öffentlich’ zei ik tegen de toerist en ik keek afgeleid naar het irritante eyeballende schlagerszoontje. ‘Bist du eine Bratwurst?’ vroeg ik in alle ernst. ‘Bist du ein Musiker? Ein Rock Star?’ vroeg de Mutti. ‘Wie so da?’ vroeg ik. Dat ik onder de confetti zat en dat de bus met de bandnaam in koeienletters achter me stond te dampen was ik even vergeten. ‘Leute, die sich Rockstars nennen, sind es nicht’ ‘zei ik drakerig ‘Aber ich bin nicht abgeneigt ein bisschen zu rocken, wie Udo Jürgens, Freddie Breck, Roy Black oder der von Heino’. Met wat drank achter de kiezen kon ik me mieters redden in het Duits.

Aan sommigen kun je natuurlijk wel zien dat het sterren zijn; de wandelende X-factor met een uitstraling waarvoor je een bekeuring kon krijgen van de milieu-politie. ‘Showkjealties’ noemt m’n pa dat, ‘ach, zulk soorten heb je ook nodig’ zeg ik dan. Echte druipende sex, drugs en R&Roll sterren had dit land nauwelijks voortgebracht, het werd dan ook angstig stil na de sprong van Herman Brood. Gelukkig waren er de Golden Earring, Cuby and the Blizzards, Q65, Normaal, Focus, Armand, Shocking Blue, Peter Pan Speedrock en de Bintangs enzo, daar kon je Kane, de 3 oh J’s, Moke, Kensington en al dat spul toch niet toe rekenen. Laat staan lui die in het Hooghaarlemmerdijks stonden te jodelen.

Tegenwoordig heb je wannabe sterren die zich lenen voor van alles en nog wat om toch maar bij het clubje bijna BN-ers te horen. Lui waarvan je niet eens weet waarom ze in godsnaam BN-er zijn, van wie je je niet eens afvraagt wie ze gedreten heeft. Voor dat soort infantiele naar smegma riekende kul zouden wij ons nooit en te nimmer lenen. Meedoen aan programma’s waar bejaarde tantes naar keken kon altijd nog na een fikse TIA of een knauw van een afterlife crisis. Je moet er wat voor over hebben als je een rocker in Holland wilt zijn, dat had Jan Rot wel begrepen.

Ik ging naar binnen voor een pakje shag, roken heb ik nooit gedaan, behalve bij gelegenheden, met feestjes enzo. Het was bijna licht maar het buitenlicht haalde het bij lange na niet bij het klare abattoir- licht van de shop. Verdomd, liep daar nu Jantje Smit? Of was het van Velzen…die ene die zo stottert? Nou ja, het zal wel. Ik ouwehoerde keihard door het plexiglas en hing als een stamgast aan de balie. Eenmaal aan de statafel zag ik gehaktballen en staven verdwijnen in gare koppen terwijl ik een kartonnen broodje kaas levend probeerde te maken.

Een groepje jongeren met glimmende kleren, heuptasjes en gecoupeerde stoppeltjes kwam binnen alsof het Beatles waren. Aan de kleur kon ik zien dat het geen aardappels waren maar dat kon gelukkig niemand iets bommen. Ik hoorde ze lullen in een taal die klonk alsof Borat in z’n kont werd gebuffeld door een kameel wiens tenen in geen enkel slipje pasten. Stoterig, alsof ze op een vliegend tapijtje zaten te foeteren naar de weergoden.

Volgens mij was het de bedoeling dat we bang waren of op z’n minst onder de indruk. Dat lukte niet, niet omdat we een kop groter waren of omdat we voor de duvel en z’n moer niet bang waren, maar gewoon; je moet niemand een blik gunnen van bewondering, schrik of angst omdat het niet nodig is. Ze kwamen aan hetzelfde tafeltje staan en staken meteen een Poolse chauffeur de gek aan. Praatjes, uitdagen, aanraken. God, zoals je een irritante vlieg plet zo achteloos moet je ook met zulk gedrag om gaan. Ik ben geen fan van fysiek geweld maar af en toe heeft een aap een slinger nodig.

Ze hadden de situatie buitengewoon slecht ingeschat, waar we niet van stonden te kijken gezien hun onnozele smoeltjes. Toen Tone de chauffeur, dik twee meter en pezig als de hel, door twee glimmende mietjes werd belaagd omdat hij raar had gekeken grepen we in. We hadden zin, dat kon je al ruiken toen de branie balletjes binnenkwamen. Terwijl de Pool door bleef schransen pakten we als zes Clint Eastwoods het clubje ijskoud aan. Ze waren met z’n tienen denk ik, we waren op de chauffeur na lang niet helder maar dat gaf niet. Eentje kreeg een genadeloze knie in z’n zakie, het was niet de eerste mishandeling van z’n spul schatte ik zo in. De andere greep ik bij z’n strot met links en met rechts drukte ik z’n hand in de hete pan met gehaktballen. Terwijl ik dat deed zag ik een vuist verdwijnen in een gore, grote tetterbek en zag ik twee hoofden gelijktijdig op de statafel kwakken terwijl de Pool z’n mond afveegde. Een reeds gevloerde flapdrol leek lalalala te mekkeren terwijl hij zich op wilde trekken aan de benen van de Pool. Deze schudde hem van zich af waarop hij de gevloerde vuil in z’n flank trapte. Tja, als je A zegt moet je B zeggen. 

De rest van het zwikkie kwam aanvankelijk toesnellen om hun gesneuvelde soldaatjes te helpen maar ze dropen af met hun gecoupeerde staartjes tussen de benen. Dat was ze geraden.  

Het was gepiept in de tijd dat de Pool z’n gehaktbal verorberde en volgens mij hadden de knappe pompbediende en haar nichterige collega niks in de gaten in hun beveiligde zone. Toen de belagers hun laffe vriendjes achterna vluchtten riep Tone nog na dat hij hun moeders ook graag wilde trakteren op een ferme roze knuppel. We zeiden maar niets. 

We bedankten de Pool en riepen ajuu tegen het personeel. Buiten riep ik ‘Auf Wiederschnitzel’ tegen de Oost-Germanen en liet de drummer een scheet alsof hij een ondergrondse bunker uit moest roken.

Eenmaal in de bus namen we voldaan een fles Grolsch en lulden we verder over van alles en nog wat. De dag erna dronken we bier in dezelfde bandbus en herinnerden we ons plots het voorval met die arrogante flapdrollen. Ik had verdomd nog een blaar op m’n klauw waarvan ik die ochtend niet meer wist hoe ik eraan gekomen was. Tone wist dat gelukkig wel, in meer geuren dan kleuren deed hij het Slenk-akkefietje uit de doeken tot in de griezeligste details. Hij stond nog stijf van de koffie en was blij dat hij z’n knuppel altijd bij zich droeg. ‘Komen we vannacht weer langs de Slenk?’ vroeg de gitarist. ‘Nee, we gaan naar het land van Bartje, maak je de pens maar nat!’ schreeuwde Tone over de ronkende dieselmotor heen.

Het coulissenlandschap zoefde voorbij door de pikkende ramen van de Mercedes en het avondrood beloofde vanalles. Ik zag een groot bord met onze koppen erop, een reclamebord van Pesse waar de kogelgaten in leken te zitten. Dat wilde, berige feest bij Bouwmeester in die zweterige schuur was volgend weekend alweer. Godver, ik was in het donker toch een stuk knapper…

Zag ik in een flits.

Spread it

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email