De stenen zweten

De stenen zweten

De stenen zweetten en de straat was benauwd, zou hij omvallen, zou hij bezwijken… Aan de bomen lag het niet, de noeste bomen vol leven. Ze pakten hem met takken die op bliksemschichten leken en pompten zuurstof in z’n aderen alsof het gif was. Een boom had geen woorden nodig.

De voeten huilden, eerst zweet, toen bloed. Iedere stap dreunde massief en dof in zijn lijf, de keien stompten en sloegen rood tegen z’n poten die hunkerden naar blubber. Hij ploegde voort met een bek vol staal. De dwaze runner was niet te peilen, zelfs niet toen de hakken geen vlees meer droegen. De loper was zo goed als dood, doder dan de zwetende stenen die het modder de baas waren. De modder de baas, wie kon dat nu zeggen behalve God de almachtige. En een bulldozer.

De lantaarnpalen waren lakeien die bogen op roze zaterdag, misdienaars van het licht dat het donker maar net verdragen kon. De lucht was ijl en de hemel een uitgerekte stip, de botten braken en de enkels keilden tegen de stoeprand, ketserig als gekookte eieren.

Aan eieren dacht de loper niet, zijn knieën waren zijn voeten geworden maar hij brak niet. De einder lonkte zoals licht het leven en het zoog zelfs zijn verloren botten. Als scherven van een kapotgeslagen schedel schoten ze in het zog van de loper, gruis stoof in een ruimte die smaller en drukkender werd. Het vlees lag als bellen vet in de goot, het was eraf gesleten toen het nog mee leek te vallen. De weg had het eraf geknoven. De mond van z’n trainer had het er ooit bij een varken afgezogen tijdens een bbq alsof ie aan het beffen was, dat had de loper onthouden. De straat was echter andere koek, die deed niet aan beffen.

De stappen werden ras kleiner, hij knielde zich martelend door de straat die hem opslokte als zeik in een pisgoot. Met versleten remblokken waggelde hij op z’n laatste krachten weg van zijn Armageddon. Pis rook hij, het liep hem niet meer in de schoenen, dat geluk had hij. Hij voelde enkel zijn naderende verlossing, en z’n knieën, die hij nooit gebogen had. Maar nu, ja nu moest hij. Enkele auto’s vlogen hem voorbij, het waren lijkwagens. Verder was de straat verlaten, leeg met slechts visioenen.

Konden we het leven maar dragen, het licht en de zonden, het zijn en de wonden. De toorn, onze haven, de liefde ons welbehagen. ‘Onze wreedste ziekte, is het eigen wezen te minachten’, zei m’n lief.

Toen z’n knieën braken knakten de bovenbeenderen als soepstengels. De torso die z’n lichaam was geworden rolde nog wat. Uit de kingsize wond hingen darmen en afgesleten botten, zijn mannelijkheid was ie al eerder verloren. Hij voelde zich een doormidden gehakte zeeleeuw die een wak probeerde te bereiken. Deze gedachte maakte hem confuus want wakken zijn van onderen donkere gaten, zijn fiducie was kapot… Het licht werd donker en doofde de straat. De hemel bestond uit gevels en een losgerukte glasbak plette zijn rakker. De kop van de loper rolde door, richting de fade-out. Een leren bal in een dark hole. Hij zag want hij leefde vooral in z’n kop, en stuiterde met ratio over de klinkers.

De stenen zweetten en de kop was eraf. Verhoeven en Maas hadden hun vingers afgekloven bij een scène als dit, maar gefilmd is het niet, geen overlevering, niets. De loper was de laatste en had de finish niet bereikt. Het lint was nog niet klaar en de plek niet geijkt.

Zwetende stenen, geplaveide modder voor het sjieke beest dat z’n juk niet de baas was, droegen de bezwaarde lopers.
De kilheid was niet meer te dragen en de dolende verzengde. Alle wijze mensen waren dood, op die ene na; de loper. Hij tolde, stuiterde en kopte de aarde.

Spread it

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email