Het is maar spul

Pronk-j-bass

-Fender Jazz Bass, 1968-

Spullen zijn maar spullen, maar sommige dingen… had je nooit moeten verkopen. Zei m’n geweten wel eens op loze momenten. 

Een goed stuk hout, gefabriceerd tot instrument met staal en elektronica, wat finish, chrome en celluloid wordt een apparaat met een ziel. We zijn geneigd om dat er op z’n minst aan te verbinden, soul, karakter. Waar die ziel vandaan kwam bleef een raadsel…. Die was misschien gemaakt door Leo Fender, of ergens ontsproten uit de moerassen van California. Of misschien kwam de mojo gedeeltelijk van de vorige eigenaren, dat was er in dit geval maar eentje, wat netjes was voor een Fender Jazz Bass die nu 53 zou zijn. Misschien kwam de boogie ook wel van mij én de bas, een match die we zochten en vonden in de resonantie.

Ik was naarstig op zoek naar zo’n ding. De nieuwe bassist van de Fatal Flowers speelde op zo’n bas en dat klonk me een potje lekker. Later begreep ik dat het ook aan de bassist lag, Geert de Groot dus. Hij ronkte over z’n sunburst via een oude Ampeg V-4B, die aangesloten was op een Marshall buikkast. Ik ben geen copycat maar ik miauwde als een maartse kater. John Paul Jones liep er ook als een compleet vrije vogel op te grooven, zijn bas was getrouwd met een Acoustic solid-state en zoemde je de kruimels uit de broek. Hij bewandelde de boterzachte hals als een wandelende tak met dikke sokken aan. Onderwijl hing de body als een lekker wijf in z’n pelvis te zoemen. De 4 snaren, de elementen die we kennen. Single coils die aarde, water, lucht en vuur spogen. 

Maar lastig joh, in het pre-internet tijdperk was het vinden van zo’n oude bas een barre zoektocht, eentje waar Willem Barentsz ijskoud bij zou sneuvelen. Een beetje de kranten en muziekbladen in de gaten houden, bij voor- en na-programma’s checken en natuurlijk het lokale suffertje in de smiezen houden, meer kon je niet doen. Ja, er luid over lullen, zeiken en drammen bij bijv muziekwinkels zodat er meer sprieten gingen voelen.

Verdomd, 13 april, 1990 stond er eindelijk een advertentie in het Overijssels dagblad waar ik danig opgewonden van raakte. “Fender jazz bass, incl versterker 750 gulden, excl 650 gulden. Gaat weg wegens verhuizing. Ger Beemsterbraak, Apeldoorn”. Telefoonnummer erbij. 

Ik greep de draadloze telefoon als een uitgehongerde verzamelaar en Ger gaf ogenblikkelijk thuis. Ja, waar ik wel niet woonde. Ik zei ‘In Luttenberg, je weet wel, van die motorrace, dichtbij Avonturenpark Hellendoorn.’ Potverdorie, dat was nogal een eind weg, vond de geboren Hagenees, dat kon ik horen. Of dat wel de moeite was want het was wel een heel oud besie. Stilte…
Ik vroeg, verbouwereerd en zeverend, ‘Hoe oud is ie dan wel niet?’ ‘Euhm, ik heb hem gekocht toen ik net getrouwd was met m’n eerste vrouw die helaas niet van muziek hield. 1968 moet dat geweest zijn. Ik kocht hem bij Servaas. De originele riem zit er nog bij en die lastige kappen enzo zitten nog in de koffer. Die heb ik er toen meteen bij gekocht.’ Nou ja, zo lulde hij nog even door. Toen hij begon te zaniken dat hij bij Sjorsie Kooymans in de straat had gefietst met een vetkuifje begon ik obstinaat te hoesten. ‘Nou euh, dat lijkt me geen probleem’ zei ik wat nattig ‘ik hoal wel van die olde rommel.’

Ik maakte meteen een afspraak en bood aan om right-away in m’n wagen te stappen. Het gevoel dat m’n gretigheid wat hoorbaar was ebde weg bij zijn antwoord, ‘Nou, hij loopt niet weg, ik reserveer ‘m voor je’, het kwam er wat plechtig uit. De dag erna schikte het wel want dan kreeg hij meer kopers voor het spul dat hij niet meer mee wenste naar z’n verse flatje.

Kameraad Barrie van Køkkie vernam mijn opwinding en had wel zin in wat geouwehoer en een sjacher avontuurtje. Onderweg luisterden we naar cassettes van de eerste plaat van Masters Of Reality, een oude van ZZ top en de bootleg van ‘Slayer live in Luttenberg’. Die had Barrie stiekem onder de Playboys van z’n broer Ko vandaan gegrist. We vermaakten ons wel en rookten Caballero’s in de oude Vauxhall die van binnen aardig op m’n kelder begin te lijken. 

In de deprimerende 70ties wijk met veel te weinig bomen vonden we zijn verkochte woning. In een lege galmende hal werden we ontvangen door een goed geconserveerde grijsaard met een foeilijke trui aan. Zo één waar Smart Smeets zijn neus niet voor ophaalde. Hij stonk naar koffie en Old Spice en droeg een quasi kunstzinnige flapdrollen bril die zijn vrouw zeker en vast had uitgezocht. Verder een prima burger die ons koffie aanbood in plastic bekertjes in van die mini-houdertjes. Alles waar hij afstand van deed stond in de verlaten huiskamer. De laminaten vloer golfde en kraakte niet. Dat deed alles in mij wel, ik kreeg kortsluiting want daar stond ie. 

Deftig in een standaard, opgepoetst en wel met de riem in een rolletje in de rood fluwelen koffer. Hij had de kapjes er met de originele schroefjes weer ingedraaid. Ja, hij was een secuur mannetje. De versterker klonk nog prima maar kon wel wat contactspray gebruiken. Het geluid dat eruit kwam was droger dan het leren handvat, warm en woody.
Maar die bas…. Jezus hoe moet ik dat vertalen. Hij was vederlicht en ik durfde hem nauwelijks goed te pakken. Wat ik erop spelen moest werd me niet ingegeven dus ik gleed maar wat raak en eindigde in de schuifpartij van Dazed and Confused. Hij voelde, klonk en speelde alsof ie z’n hele leven al bij me was. Een moddervette bingo, een verlengstuk met allure. 

Het logo van de versterker was foetsie want hij had er zelfs eens mee opgetreden op een bruiloft van z’n zus. Dat label was tijdens de polonaise aan de broekrok van een buurvrouw blijven hangen. Hij wist het merk niet meer. ‘Van de broekrok?’ Vroeg Barrie. Hij moest aan Broekland denken, denk ik.

Barrie snoof en probeerde niet opvallend blijk te geven van een overdadige portie goesting. Ik leidde de aandacht van de makkelijk te betrappen scène af met een stompende imitatie van de baspartij van Lust for Life. Dat werkte want de bijna ex draaide paniekerig de volumeknop terug. ‘Ik neem hem denk ik wel’ zei ik iets te kordaat. ‘Anders ik wel’, gromde Barrie terwijl hij zijn mouwen nog hoger op probeerde te rollen. Barrie leek sprekend op de blanke grote broer van BA, maar dan zonder vliegangst. Køkkie vloog elk weekend wel ergens uit de bocht, hij was zelfs al een paar keer in z’n uppie naar Thailand gevlogen. Nee, daar kwam geen trucje aan te pas, wel een knock-out vrees ik. Hij had armen als de benen van Dafne Schippers en een tomahawk waar de dode zanger van the Prodigy een inzinking van zou krijgen.

Ook de zanger van The Exploited zou een wegtrekker hebben gekregen bij het aanschouwen van zo’n stroeve deurmat waar je je voetbalschoen in de herfst nog niet doorheen durfde te halen. Z’n kringbaard maakte het af, die eindigde ergens halverwege het Slayer logo.

Wanneer je door je wimpers keek dan leek het net of hij een krioelende zwerm bijen aan z’n kin had hangen, met teer ipv honing aan de harige pootjes. Dit was echter niet de reden van de zakelijke snelheid van de verkoper, nee; hij had gewoon nog een hele lijst kopers af te werken. Enkelen hadden ook bijzonder enthousiast gereageerd op de bas en velen had ie teleur moeten stellen omdat ik de eerste was. Iets wat zelden voorkwam.

Hij wilde ons nog wel graag zijn nieuwe basgitaar showen, die stond in de open keuken die akelig dicht leek. Aanvankelijk dachten we met een kunstheup van doen te hebben maar al rap zag ik snaren en daarna wat perspectief.

Een foeilijk 6-snarig mahonie prutsding met een geluid alsof je meccano speelde met je gehandicapte neefje.

Hij glom als een koorknaap met kerst en had het ding met nep-koperen hardware als een mislukte roeispaan onder z’n onderkin hangen. ‘Potdomme’, zei Køkkie. ‘wat knorren of niet.’ Het duurde maar even of slagerszoon Barrie deed verschillende types varkens na. Dat had hij al jaren onder de knie. Als luisteraar kreeg je het gevoel dat je gekneveld en geblinddoekt in een overvolle transportwagen lag te zweten, als een mede slacht offer. God wat een lawaai. Tot groot vermaak haalde hij keer op keer de zwijnen van stal, het leek of de soorten per keer mutanten hadden gekregen uit de hel.

Terwijl ik lulde over onze hond, die elke maand als een weerwolf aansloeg wanneer de sirene van het burgeralarm begon te joelen, pakte ik met de verkoper het spulletje in en tikte ik grif af. Nog voor de koffer dicht zat.

‘Kijk maar wat je ermee doet, dat oude beestje doet het vast nog wel even’ zei Ger terwijl hij op z’n onderwaterhorloge keek.

In de gang kwamen we de volgende klant tegen, hij maakte een geile indruk en was bassist, hij speelde bij de Urban Dance Squad bleek later. Hij heeft nooit meer iets vernomen van zijn verzoek om te bellen wanneer ie me niet zou bevallen. Zijn telefoonnummer stond op een leeg pakje vloei waar stukjes vanaf waren gescheurd. Silly stond erbij. 

Onderweg grinnikten we ons de bloemetjes uit de baard. Wat een koek’n de’n kearl o’nie!
Ik heb onderweg wel 100x achterom gekeken, of ie er nog lag, de buit op de achterbank. 

Nog steeds hoor ik bandjes of opnames waarop die bas zoemt als een oude boom. Ik haal z’n stem er zo uit. Ook kom ik soms foto’s tegen, dat ie zomaar ergens achteloos ligt of dat ik hem genadeloos bespeel. Op de dag dat ik hem verkocht heb ik zelfs nog wat afscheids portretten gemaakt, deftig stond ie te pronken tegen m’n oude Ampeg stack. Het 12-voudige had een kroegbaas uit Tubbergen geboden, en ik wilde zo aldermachtig graag een oude Fender Precision… Dat de J-Bass zou verhuizen naar Twente, dat verzachtte de boel, Droste was een beste kerel met fluwelen jatten en koesterde zijn spul alsof het baby’s waren. Dat zat wel snor. Later kocht ik drie oude Precisions voor dat geld, een beetje handel zat me net als die bassen wel in de vingers. Geen van die drie wapens heb ik ooit weggedaan, mojo is onbetaalbaar.

Had ik dat maar met die oude jazz….

Ach, het is maar spul.
Foi wat een gelul.
Joa, ut is mar spul’.
Onmeunige onbenul. 

Spread it

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on email